Broedt in Scandinavië (torquatus) op rotsige
fjelds, in hooggelegen naaldwouden en in berkenzone. In Zuid- en Midden
Europa (alpestris) algemeen in open alpiene naaldwouden en
op steile, rotsige hellingen.
Kenmerken
Formaat en vorm ongeveer als Merel. Adult grotendeels
zwart of roetkleurig bruinzwart met witte halve maan op de borst ('bef').
Gele snavel met donkere punt. Ondersoort alpestris (Zuid- en
Midden-Europa) met wit schubpatroon op onderdelen en lichtere vleugels
dan ondersoort torquatus (Brittannië en Scandinavië).
Tamelijk schuw, maar komt vaak eerder vrij in struik of boom te zitten
dan Merel, die meestal in de struiken wegvlucht. Nestelt laag in sparren
of dennen, in rotsspleet, in gat in muur of op de grond. Voedsel bestaat
uit insecten, wormen en bessen.
Trek
Trekvogel in groot deel van verspreidingsgebied. Overwintert
in Middellands-Zeegebied.
Aantallen
In België en Nederland ondersoort torquatus
doortrekker vooral in april-mei en september-oktober. Zelden in tussenliggende
periodes.