Dodaars
Tachybaptus ruficollis |
|
 |
|
| Grootte |
lengte: 25 - 29 cm
spanwijdte: 40 - 45 cm |
|
| Biotoop |
Dodaarzen zijn broedvogels van ondiepe en beschutte wateren
zoals duinmeren, uiterwaarden, vennen en brede sloten. Tijdens de winter
komen ze op grotere wateren voor, alsook op zee. |
|
| Voortplanting |
Een paartje broedt bij voorkeur solitair, maar in favoriete
gebieden kan de populatie zo dicht zijn dat ze in feite in kolonies broeden.
Het nest, bestaande uit waterplanten, vormt een drijvend platform, soms
verankerd aan een overhangende tak of verscholen in rietkragen aan de waterkant.
Tijdens het lange broedseizoen, van april tot augustus, wordt een- of tweemaal
en in sommige gebieden zelfs driemaal gebroed. Een legsel bestaat uit 4
à 6 witte eieren, die echter door de plantendelen van het nest algauw
verkleuren. Net als alle futen bedekken de oudervogels het broedsel met
waterplanten als er kraaien of andere rovers overvliegen. De jongen verschijnen
na ongeveer één maand en verlaten het nest al snel. Ze zijn
zeer klein en hebben een gestreepte kop en rug en hebben wittere wangen.
|
|
| Voedsel |
Dodaarzen leven van waterinsecten, schelpdieren en kleine
visjes. In de broedtijd vormen de insecten het leeuwendeel van het menu.
Tijdens het zoeken naar voedsel ziet de dodaars eruit als een kleine, drijvende
bal veren. Regelmatig duikt hij onder, waarna hij als een ondergeduwde kurk
weer omhoogschiet. Voor een diepere duik wipt hij eerst even omhoog. |
|
| Gedrag |
De dodaars is een erg schuw beestje. Bij onraad laat hij
zich snel zakken - alleen zijn kop steekt dan boven het water - of duikt
onder. Een dodaars zal zich niet gauw uit het water wagen: met zijn gelobde
tenen en ver naar achter geplaatste poten beweegt hij zich erg onhandig
over het land. Men hoort deze kleinste fuutachtige vaker dan dat men hem
ziet. Hij roept een hoog, kort 'tililip' en laat in de zomer een luide,
hinnikende triller horen. De dodaars vliegt meer dan de andere futen en
scheert vaak dicht over het water als hij opstijgt. De poten steken dan
uit vanonder de smalle, egaal bruine vleugels. |
|
| Kenmerken |
De dodaars is de kleinste en rondste van onze watervogels.
Hij heeft vrijwel geen staart. Een volwassen dier in prachtkleed heeft een
roodbruine hals en een lichte vlek aan de snavelbasis. Het wijfje is minder
fel gekleurd dan het mannetje. In de zomer maakt de vogel zich graag 'dik',
zowel in rust als tijdens het baltsgedrag. Het winterkleed van beiden is
veel lichter dan in de zomer: het varieert van vaalbruin van boven tot lichtbruin
en wit van onderen. |
|
| Trek |
De dodaars is een trekvogel en verlaat onze streken in de
winter. De Lage Landen worden evenwel gebruikt als winterverblijfplaats
voor noordelijke dodaarzen. Je hebt dus het hele jaar kans om er een tegen
te komen. |
|
| Aantallen |
In de 19de eeuw was de dodaars in ons land nog de meest voorkomende
fuutachtige, maar nu is hij duidelijk overvleugeld door de veel grotere
fuut. De laatste decennia was er een duidelijke afname van het aantal broedparen
te merken. In de jaren negentig kwam er een lichte verbetering in zijn situatie.
Broedende dodaarzen zijn schuw en daardoor moeilijk te tellen, wat het volgen
van de aantalllen er niet eenvoudig op maakt. |
|
|
|
|
 |
 |