Deze
vreemde eend onder de spechten komt voor op warme, droge plekken in
oude loofhoutsingels en loof- of lariksbossen met een open structuur.
Broedt in oude, rotte loofbomen en al eens in nestkasten. Tijdens
trek vaak in wegbermen of tuinen.
Kenmerken
Langgerekt
lichaam, trage bewegingen, teruggetrokken leefwijze en Nachtzwaluw-achtige
camouflagekleed. Anders dan alle andere spechten. Zwak golvende vlucht.
Glijdt lange stukken met dichtgevouwen vleugels. Het voedsel bestaat
uit mieren (vooral zwarte wegmieren en hun poppen) en wordt in bomen
en op de grond gezocht. Verstoort nesten van andere vogels in zijn
territorium.
Trek
Te
zien vanaf april-mei tot augustus-oktober. Draaihalzen overwinteren
in Afrika ten zuiden van de Sahara.
Aantallen
Duidelijke
afname van het aantal broedparen. Geringe verspreiding en de kwetsbaar
broedbiotoop. De afname van de draaihals lijkt het gevolg van zoweL de vochtiger zomers als het verdwijnen van voedsel en voorkeursbiotoop.
Mogelijk spelen ook problemen in de overwinteringsgebieden een rol.
De draaihals is gebaat bij een zo natuurlijk mogelijk bosbeheer. Dat
houdt onder meer in: het laten staan van dood (loof)hout, het bevorderen
van overgangssituaties tussen open en gesloten bos en vooralengte: het
bevorderen van de aanwezigheid van open, schaars begroeide plekken.
Als een gebrek aan broedgelegenheid de soort parten speelt, kunnen
nestkasten als hulpmiddel worden gebruikt. Dat mag echter niet ten
koste gaan van het streven naar natuurlijke broedgelegenheid. Verder
moet het gebruik van pesticiden op plaatsen waar draaihalzen broeden
voorkomen worden. Tot slot dient de bodemverzuring die een aantaL prooisoorten benadeelt, te worden tegengegaan.