Grauwe Klauwier Lanius collurio |
|
 |
|
| Grootte |
L 17cm. De grauwe klauwier is zo groot als een merel met een dikkere
kop, die blauwgrijs is met een zwarte streep over het oog, verder
warmbruin op de rug, zwart, wit en grijs op staart en stuit, roze
op borst en buik. Een zangvogel met een stevige snavel, die aan de
punt roofvogelachtig gekromd is. |
|
| Biotoop |
De
grauwe klauwier is een broedvogel van ruige, halfopen gebieden met
opslag van struweel of jong geboomte. Ook in open gebieden in bos.
De aanwezigheid van doornige struiken of bomen is een vereiste. |
|
| Kenmerken |
De
zang van de grauwe klauwier doet de eerste paar klanken denken aan
de merel. Daarna gaat het over in een reeks van kreetjes en rollers
die erg doen denken aan de boerenzwaluw. De aanwezigheid in het biotoop
van flink wat grote insekten als kevers, bijen en hommels is erg belangrijk,
zij vormen de hoofdmoot van het menu. Verder worden hagedissen, kleine
zoogdieren en jonge vogels gegeten. De naam 'klauwier' slaat op de
gewoonte van de vogels om een voorraadje prooidieren op te hangen
aan de doornen van bramen of andere stekelige struiken. |
|
| Trek |
Vanaf
mei tot augustus(ad)-oktober(juv). Grauwe klauwieren overwinteren
in Zuid Afrika. |
|
| Aantallen |
De
enorme afname van de grauwe klauwier heeft zeker te maken met de aftakeling
van het agrarisch buitengebied. Met name het verdwijnen van talloze
heggen en struwelen en de forse afname van veel grote insekten heeft
een fnuikende uitwerking gehad op de soort. Verder speelt het verdwijnen
van 'woeste gronden' en verruiging door zure regen - speciaal in de
duinen - een rol, evenals een toename van het aantal natte zomers.
Of de grauwe klauwier nog kan terugkeren in het landelijk gebied,
is twijfelachtig. Een beheer dat gericht is op herstel van heggen
en houtwallen is daartoe in elk geval noodzaak. Verder kan gefaseerd
maaien van grasland goede foerageermogelijkheden bieden. Een terughoudend
gebruik van insekticiden - zeker in perceelsranden - en behoud van
de rust op geschikte plaatsen zijn daarnaast noodzaak om de soort
weer kansen te bieden in het landelijk gebied. Positieve factoren
zijn daar onder meer de opslag van jonge berkenbosjes, de veelvuldige
aanwezigheid van braamstruweel en de grote rijkdom aan insekten. Over
het algemeen kan gezegd worden dat een op insekten (b.v. dagvlinders)
gericht beheer van zowel natuurgebieden als kleinschalige landschapselementen
als dijken en wegbermen de soort ten goede kan komen. (tekst: IVN) |
|
|
|
|
 |
 |