Kerkuil Tyto alba |
|
|
|
|
(territoriumroep mannetje) |
|
| Grootte |
L 33-39cm - SW 85-93cm |
|
| Biotoop |
Boerderijen
en dorpen in halfopen kleinschalig landschap. Veel voorkomende broedplaatsen
zijn boerenschuren, kerktorens en andere bouwwerken, een enkele keer
ook holle bomen (broedt soms 2x per jaar). |
|
| Kenmerken |
Alarmeert
in vlucht met een krijs. Valt indringers aan met korte, zeer scherpe,
indringende schreeuw. Verder ook allerlei wonderlijke geluiden in
de broedtijd. Typisch hartvormig gezicht met zwarte ogen. De zeer
tot de verbeelding sprekende kerkuil broedt en jaagt vaak in menselijke
omgeving, maar slechts weinigen krijgen hem wat beter te zien. Het
voedsel bestaat voornamelijk uit veldmuizen, aangevuld met huisspits-
en bosspitsmuizen. |
|
| Trek |
Jonge
kerkuilen kunnen soms flinke zwerftochten maken, maar eenmaal gevestigde
vogels verblijven hun leven lang in hetzelfde leefgebied. Broedt in
maart-september. |
|
| Aantallen |
In Nederland en België samen 2200 paren. Valt terug na
erg strenge winters. De afname van de kerkuil werd deels veroorzaakt
door het verdwijnen van nestgelegenheid in kerken en boerenschuren.
Begin jaren zeventig werd een nestkast-programma opgezet. De speciaaL voor de soort gemaakte nestkasten bleken goed aan te slaan; inmiddels
broedt zo'n tachtig procent van de Nederlandse kerkuilen erin! Toch
blijft bescherming natuurlijk niet bij kasten alleen. Alleen de aanwezigheid
van een rijke en gevarieerde kleine zoogdierfauna kan de soort op
termijn redden. Het aanbieden van voedsel in strenge winters heeft
zeker zijn nut, maar moet als een overgangsmaatregel worden gezien.
Een natuurvriendelijk beheer van dijken, wegbermen, randen van boomgaarden,
akkers en sloten is onontbeerlijk voor het behoud van de kerkuil in
de Lage Landen. Ook het waar mogelijk muisvriendelijk inrichten van
boerenerven kan een belangrijke rol spelen. Helaas vallen veel in
wegbermen jagende kerkuilen ten prooi aan het verkeer. De bermen van
drukke wegen dienen dus juist een muis-onvriendelijk beheer te krijgen,
terwijl elders voor compensatie gezorgd dient te worden, bij voorbeeld
in de vorm van ruige akkerranden en grazige dijkvegetaties. Verder
is het zaak om precies te weten te komen, welke factoren de kansen
op een succesvol broedsel bepalen. Nader onderzoek zal hier de komende
jaren wellicht een antwoord op kunnen geven. Verder is het geregeld
onderzoeken van braakballen van belang. (tekst:IVN) |
|
|
|
|
 |
 |