Lepelaar Platalea leucorodia |
|
 |
|
| Grootte |
L 80-90cm - SW 115-130cm. |
|
| Biotoop |
Lepelaars broeden op slechts enkele plaatsen in Europa, waarvan
Nederland de meest noordelijke is. Andere kolonies van enige omvang
zijn alleen te vinden in Zuid-Spanje en Oostenrijk. Ze broeden in
moerassige gebieden, in dichte rietkragen of in moeilijk bereikbare
bomen en struiken.
|
|
| Kenmerken |
Onmiskenbare
vogel. Vliegt in groep in lijnformatie, met uitgestrekte, even doorgebogen
hals en snelle, ondiepe vleugelslagen, afgewisseld door korte glijperioden.
Lepelaars eten vooral driedoornige stekelbaarzen, maar ook kleine
witvissen, grote waterinsekten en garnalen. Ze zoeken hun voedseL op specifieke wijze: wadend door water dat niet dieper mag zijn dan
30 centimeter speuren ze met tastzintuigen aan hun snavel naar hun
prooi. Ze fourageren tot op 30km afstand van de kolonie. |
|
| Trek |
Te
zien vanaf februari tot augustus-september. Af en tot overwintert
een exemplaar. Ze gaan via Franse en Spaanse moerassen naar de winterkwartieren
langs de Westafrikaanse kust en het gebied ten zuiden van de Sahara.
|
|
| Aantallen |
In het moerassige en lege Nederland van vroeger tijden was de lepelaar
een talrijke broedvogel. De oudste vondsten, bij opgravingen rond
Alkmaar, dateren van 580 voor Christus. Door droogmaling van moerassen
en bedijken van rivieren en delta's kromp het aantal broedgebieden
echter fors in. Al voor 1900 verdwenen de laatste kolonies van meer
dan duizend broedparen. Na 1900 kwam het aantal broedparen lange
tijd niet boven de 500, met een dieptepunt van 150 paar in 1969.
Sindsdien heeft de lepelaar zich voorzichtig hersteld. Rond 1990
werd de 500-paren grens weer gehaald en in 1995 werden zelfs meer
dan 700 paren geteld! Belangrijke huidige broedplaatsen zijn de
Oostvaardersplassen en de Lepelaarsplassen, grote duinmeren en enkele
Waddeneilanden.
Tot ieders verrassing kwam het aantal broedparen al in 1997 boven
de 1000, waarbij vooral de veranderde 'demografie' opviel. Steeds
meer broeden er op de Waddeneilanden, steeds minder op het vasteland.
Dat had waarschijnlijk alles te maken met de veiliger omstandigheden
op de eilanden, waar geen vossen voorkomen, die de grondbroedende
lepelaars het leven zuur maken.
Op dit moment zijn de gebieden waar de soort regelmatig broedt
goed beschermd. Nieuwe kansen lijken zich vooral voor te doen langs
het IJsselmeer en in het oostelijk Deltagebied. Een probleem is
dat veel lepelaars hun voedsel halen uit sloten. De waterkwaliteit
in die sloten is van groot belang, evenals de mogelijkheid voor
trekvissen als de stekelbaars om van de Noordzee in de sloot te
kunnen komen. In Noord-Holland zijn daartoe inmiddels speciale vispassages
aangebracht. Een ander aandachtspunt is de bescherming buiten de
broedtijd. Dan hebben lepelaars te kampen met problemen als afschot,
hoogspanningsmasten en de verdroging van belangrijke wetlands als
de Cota Doņana in Zuid-Spanje.
|
|
|
|
|
 |
 |