Oehoe Bubo bubo
|
|
 |
|
|
|
|
| Grootte |
L 59-73 cm - SW 138-170 cm. Grootse uil, met grote
kop. |
|
| Biotoop |
Standvogel in bergen en bossen, bij voorkeur in gebieden
met rotsen, steile kliffen en oude bomen (vooral naaldbomen). Overdag
rustend in dichte oude sparren of dennen, in holen of rotsnissen.
Nestelt op ontoegangkelijke rotsrichels, minder vaak op grond aan
voet van rots of boom; bij uitzondering in verlaten roofvogelnest
of in schuur. |
|
| Kenmerken |
's Nachts en deels in schemering actief. Voedsel bestaat
uit zoogdieren (woelmuizen, ratten, egels, hazen, katten tot zelfs
kleine verdwaalde hondjes) en vogels (kraaien, meeuwen, waterwild,
...). Lange oorpluimen. Vlucht krachtig en stabiel met vrij ondiepe
vleugelslagen en rechte glijvlucht als grote Buizerd. Opvallende poten
als hangende 'bokshandschoenen'. Feloranje grote ogen. Zang diep,
weergalmend OE-hu; verrassend zacht van dichtbij, maar nog hoorbaar
op 2-4 km afstand, meestal herhaald met tussenpozen van 8 à
12 seconden. Op afstand alleen de eerste klank hoorbaar (kan dan verward
worden met de roep van de Ransuil maar het tempo van de Oehoe ligt
veel lager). |
|
| Trek |
Het verspreidingsgebied van deze standvogel is erg
versnipperd over heel Europa en Noord-Afrika. |
|
| Aantallen |
In Nederland recentelijk enkele geslaagde broedgevallen
in Zuid-Limburd. In Oost-België ongeveer 30 broedparen (meeste
in steengroeves). |
|
|
|
|
 |
 |