Ooievaar
Ciconia ciconia
Ooievaar (Ciconia ciconia)
Grootte L 100-115cm - SW 195-215cm
Biotoop MeestaL nabij boerderijen met weilanden. Broedt in grote takkennesten, hoogspanningsmasten, bomen, ...
Kenmerken In grote delen van verspreidingsgebied een cultuurvolger. Leeft vooraL van kikkers, slangen, knaagdieren, regenwormen, vogeljongen, grote insekten, etc . Vaak lopend in open veld. Zweeft vaak op stijgwinden. Trekt in groepen, maar niet in formatie.
Trek Vanaf maart tot eind-augustus, maar de in Nederland en Vlaanderen gekweekte vogels trekken vaak niet.
Aantallen Ooievaars staan op de Rode Lijst omdat ze vrijwel als broedvogeL verdwenen zijn in de Lage Landen. Volgens de eerste telling in Nederland (in 1910, toentertijd een unicum!) waren er zo'n 500 bewoonde ooievaarsnesten. Reeds toen werd al gesproken van een afname, die zich nadien heeft doorgezet. Begin jaren zestig broedden nog enkele tientallen paren in ons land, in de jaren zeventig slonk het broedbestand tot minder dan tien paren en in 1991 werd voor het eerst geen enkel 'wild' broedpaar in ons land vastgesteld. Dat er nog steeds ooievaars in Nederland en België rondvliegen, is vooral te danken aan de enthousiaste vrijwilligers, die sinds 1969 werken aan de herintroductie van de soort. In dat jaar werd door Vogelbescherming Nederland ooievaarsdorp 'Het Liesveld' opgericht. Hier worden ooievaars in gevangenschap gehouden. Succesvolle broedparen worden uitgezet in íín van de twaalf buitenstations, en de jongen die ze daar krijgen worden volledig in vrijheid gelaten. Het uiteindelijke doel hiervan is het vormen van een zich in Nederland thuisvoelende populatie met alle kenmerken van de wilde soort. Inmiddels zijn er 220 vrijvliegende ooievaarsparen, die in 1994 tezamen 310 jongen voortbrachten. Vrijwel al deze jongen gaan in de nazomer op trek naar het zuiden. Daarmee is de eerste fase van het ooievaarsprojekt een groot succes geworden. Om de nu bereikte resultaten ook op langere termijn vast te houden, zal het accent de komende jaren worden gelegd op de in volledige vrijheid levende vogels. Die moeten weer zoveeL als mogelijk los van hun weldoeners leren leven. Dat betekent, dat de vogels zelf hun voedsel dienen te vergaren. Landschappen met een afwisseling van natte en droge gronden en veel, extensief gebruikt grasland komen hiervoor het meest in aanmerking. Vogelwerkgroepen kunnen, samen met de beheerders van de buitenstations, wellicht een rol spelen bij het streven naar een ooievaar-vriendelijk beheer van de omgeving van de huidige buitenstations. Vooral in het Gelderse en Zuidhollandse Rivierengebied, in de kop van Overijssel en de weidegebieden van Friesland en Groningen zou de ooievaar op deze manier kunnen terugkeren. Het 'loslaten' van de soort betekent ook, dat steeds meer ooievaars hun oude trekroutes naar Afrika weer op zullen pakken. Bescherming van de Nederlandse ooievaars betekent daarom ook, dat de trekweg en het overwinteringsgebied aandacht behoeven, en dat misstanden als jacht, het verdwijnen van leefgebieden en de vele slachtoffers van elektriciteitsleidingen door Vogelbescherming, samen met de buitenlandse BirdLife-partners, aangepakt moeten worden.


Naar het overzicht...

© 1999-2008 natuurbeleving.scene24.net