Roerdomp Botaurus stellaris |
|
|
|
|
|
|
| Grootte |
lengte: 70 - 80 cm
spanwijdte: 125 - 135 cm |
|
| Biotoop |
Het biotoop van de Roerdomp bestaat uit riet- en biezenmoerassen
langs de oevers van plassen, meren en rivieren. Alleen als het broedbiotoop
van bescheiden afmeting is, zoekt hij ook voedsel buiten het moerasgebied,
bijvoorbeeld langs slootkanten en op grasland. |
|
| Voortplanting |
Het nest wordt tussen riet en zeggen gebouwd. Het bestaat uit plantendelen
zoals rietstengels en is bekleed met fijner materiaal. Het wijfje legt
4 à 6 olijfbruine eieren. Ze komen na 25 dagen uit. De jongen verlaten
het nest na 15 dagen en kunnen na 50 dagen vliegen. Het wijfje staat alleen
in voor het grootbrengen van de jongen.
|
|
| Territorium |
Roerdompen hebben tijdens het broedseizoen een territorium dat fel verdedigd
wordt. Het mannetje lokt vrouwtjes in zijn territorium door middel van
zijn baltsroep. Een mannetje heeft soms meerdere wijfjes. Mannetjes die
het wagen het gebied te betreden kunnen rekenen op een gevecht dat soms
eindigt met de dood van één van de twee. De vogels gebruiken
hun scherpe snavel als wapen. Ook andere indringers worden met de dolkachtige
snavel aangevallen.
|
|
| Voedsel |
Roerdompen leven van vis, amfibieën en insecten. Zo nu en dan worden
ook moerasvogels als kleine karekiet, baardmannetje, waterhoen en waterral
gegeten. Spitsmuizen en waterratten staan ook op het menu. Meestal jagen
ze in open water aan de rand van het riet.
|
|
| Gedrag |
Roerdompen leven solitair. Het is een schuwe vogel die vooral in de avond
en nacht actief is en zich heel zelden zal laten zien. In het voorjaar
verraadt hij zijn aanwezigheid echter door zijn roep. Dan laat het mannetje
een ver dragend, resonerend 'u-woem' horen, dat wat doet denken aan het
geluid van een misthoorn. Zijn geslachtsnaam 'Botaurus' betekent zoiets
als 'het brullen van een stier'. De tonen worden met pauzen van ca. 2
seconden herhaald en zijn soms tot op een afstand van 5 km te horen. De
roerdomp produceert dit eigenaardige geluid door lucht in zijn keelzak
te persen en die met krachtige stoten weer vrij te laten. Na een paar
'hoemps' is de luchtzak leeg en wacht hij even alvorens die weer op te
vullen en een nieuwe reeks af te steken. De beste periode om de roep eens
te horen is in april-juni en dan vooral bij valavond en in de vroege ochtend.
Bij gevaar tracht de roerdomp zich, evenals het wouwaapje, onzichtbaar
te maken door de 'paalhouding' aan te nemen, waarbij hij met naar boven
gerichte snavel roerloos tussen de rietstengels staat en met zijn omgeving
versmelt. De roerdomp grijpt zich in hoog riet aan enkele stengels tegelijk
vast om zijn omgeving af te speuren.
|
|
| Kenmerken |
De roerdomp heeft in vlucht iets weg van een uil en beweegt
zijn vleugels minder diep en sneller dan een Blauwe Reiger. Het volwassen
dier - geslachten zijn gelijk - heeft een zwartgestreept bruin 'uilachtige''
verenkleed, dat tijdens het 'brullen' wordt uitgezet. Hij heeft groene poten.
Het jeugdkleed lijkt op dat van het volwassen kleed, maar is iets lichter
gestreept. |
|
| Trek |
Roerdompen zijn hoofdzakelijk standvogels, die in ijzige
winters gevoelige verliezen kunnen lijden. Tijdens de hoogwinter krijgen
we soms het bezoek van exemplaren uit Oost-Europa. Sommige roerdompen bij
ons trekken evenwel ook weg in de herfst naar zuidelijker oorden. |
|
| Aantallen |
De roerdomp broedt in Midden- en Zuid-Europa, in Midden-Azië
en in Noord-Afrika en het zuidoosten van Afrika. De noordgrens van het broedareaal
in Europa ligt in het zuiden van Zweden en het zuiden van Finland. In de
19de eeuw, toen er in onze streken nog uitgestrekte moerasgebieden voorkwamen,
moet de roerdomp een algemene broedvogel zijn geweest. Door de zware jachtdruk,
maar vooral ook door de vele ontginningen die plaatsvonden, daalde zowel
het aantal broedparen sterk maar ook de uitgestrektheid van zijn broedareaal.
Daarnaast is de verlaging van het grondwaterpeil en de vervuiling zeer nadelig
voor de soort. Door de nachtelijke levenswijze van de roerdomp is het aantal
broedparen echter vrij moeilijk vast te stellen. |
|
|
|
|
 |
 |