Tafeleend Aythya ferina |
|
|
|
| Grootte |
lengte: 42 - 49 cm
spanwijdte: 72 - 82 cm |
|
| Biotoop |
Tafeleenden broeden aan vegetatierijke meren met open water
en aan ondiepe moerassen met rijke oever- en onderwatervegetatie in vele
delen van Europa. |
|
| Voedsel |
Hij eet vooral zaden, bladeren, wortelstokken, schaaldiertjes,
mollusken, wormen en insecten. Dit wordt hoofdzakelijk door duiken (1 à
2 m diep) verzameld. Voor ze duiken maken ze een sprongetje. |
|
| Voortplanting |
Tijdens de balts werpt de woerd soms zijn kop achterover
en laat dan een zacht, hijgend gefluit horen. De tafeleend kiest zijn broedplaats
zeer zorgvuldig: hij zoekt een open stuk water zonder drijfplanten, maar
rijk aan voedsel biedende ondergedoken planten. Het nest bestaat uit een
met riet en bladeren beklede kom in de grond of een platform van planten,
opgebouwd op een drassige ondergrond. In beide gevallen is het nest met
dons gevoerd. De eieren zijn groenachtig grijs en een legsel bestaat meestal
uit 6 à 12 eieren. Het wijfje broedt gedurende 3 weken. De jongen
zijn zwartig bruin van boven en groenig geel van onderen. Ze verlaten het
nest direct en kunnen na ca. 8 weken vliegen. |
|
| Gedrag |
De tafeleend vliegt moeizaam uit het water op en neemt daarbij
een lange aanloop. Eenmaal in de lucht is hij snel. Tafeleenden vormen tijdens
de trek vaak grote zwermen, vaak in het gezelschap Kuifeenden. De tafeleend
is een tamelijk zwijgzame soort; het meest hoor je nog het scherpe 'kerr'
van het wijfje. |
|
| Kenmerken |
Bij de woerd zijn de steenrode kop, de zwarte borst en de
grijze rug kenmerkend. De eend is vaalbruin, met een lichte koptekening
en lichte strepen op rug en flanken. Deze duikeend is in vlucht te onderscheiden
van de overige duikeenden door de grijze - niet witte - vleugelstreep. |
|
| Trek |
Tafeleenden zie je bij ons het gehele jaar, maar de meeste
tijdens de winterperiode vanaf september tot en met maart. |
|
| Aantallen |
De tafeleend is deze eeuw in Noordwest-Europa sterk in aantal
toegenomen en recent overwinteren bij ons ca. 350.000 exemplaren. De Nederlandse
populatie bestaat uit ruim 2000 broedparen, de Belgische uit zo'n 100. |
|
|
|
|
 |
 |