Zwarte Stern Chlidonias niger |
|
 |
|
| Grootte |
L 22-24cm - SW 63-68cm. Kleiner dan een visdiefje. |
|
| Biotoop |
Zwarte
sterns zijn vogels van ondiepe, zoete tot brakke moerassen en wateren.
Ze broeden in zompige weilanden en verlandingszones, bij voorkeur
in velden van krabbescheer en op eilandjes van plantenresten. |
|
| Kenmerken |
Hij
heeft een ietwat zigzaggendeonstabiele vlucht, waarbij hij vaak omlaag
scheert om insecten van het wateroppervlak te pikken. Lijkt op een
grote zwaluw die ontspannen boven het water jaagt. Ze leggen 2 tot
4 eieren op een vlot van plantenmateriaal. In de broedtijd worden
vooral grote insekten gegeten. Daarnaast staan ongewervelden en vis
op het menu. |
|
| Trek |
Het
zijn trekvogels, die 's winters voor de kust van tropisch West-Afrika
bivakkeren. In
de lage landen aanwezig van in april tot in oktober. In juli-augustus
enorme zwermen op doortrek. In mei grote aantallen door Midden-Europa
noordwaarts trekkend. Ze doen tijdens de trek grote meren aan. |
|
| Aantallen |
Sterke afname van zowel de omvang als de verspreiding van de broedpopulatie.
Bovendien broedt meer dan een kwart van de Westeuropese zwarte sterns
in Nederland. De afname van de zwarte stern kent verschillende oorzaken.
Erg belangrijk is de grootscheepse afname van krabbescheer, de belangrijkste
leverancier van nestgelegenheid. Die afname heeft alles te maken
met watervervuiling, of beter gezegd: Met het inbrengen van gebiedsvreemd
hard water in veensloten en -plassen. Verder speelt de sterk toegenomen
bemesting en de verdroging van veel veengraslanden een grote rol.
Juist op weinig bemeste graslanden komen namelijk veel grote insekten
voor. Op plaatsen waar zulke extensieve graslanden nog bestaan,
bevinden zich de laatste zwarte stern-bolwerken in ons land! In
hoeverre de situatie in de winterkwartieren mede verantwoordelijk
is voor de aantalsafname is niet bekend. Nader onderzoek kan hier
wellicht uitsluitsel over geven. Op plaatsen waar afname van het
aanbod aan nestplaatsen het grootste probleem is, kan de soort geholpen
worden met het aanbrengen van nestvlotjes. Lokaal hebben dergelijke
vlotjes hun nut al bewezen. Waterrijke natuurgebieden met veel krabbescheer
zijn het best gediend met een hydrologische isolatie, waarbij het
inkomende (regen)water zoveel mogelijk wordt vastgehouden. Verder
moet de watervegetatie nabij de broedplaatsen zich ongestoord kunnen
ontwikkelen. Het afsluiten van deze (deel)gebieden voor waterrecreanten
is dan ook noodzakelijk. Het schonen van sloten in agrarisch gebied
zal zoveel mogelijk buiten het broedseizoen plaats moeten vinden.
Waar voedselgebrek de voornaamste boosdoener is, dient het accent
te liggen op verbetering van de waterkwaliteit, in combinatie met
een extensief beheer van nabijgelegen graslanden. Daarnaast moet
verstoring door varende recreanten zoveel mogelijk vermeden worden.
In de toekomst kan het vergroten van de oppervlakte moeras en hoogveen
middels natuurontwikkeling nieuwe broedplaatsen opleveren. Een goed
voorbeeld hiervan is het insektenrijke Bargerveen, waar inmiddels
tientallen paren broeden.
|
|
|
|
|
 |
 |