Alpenspitsmuis
Sorex alpinus
 
Data lengte: 60 - 75 mm
staartlengte: 60 - 75 mm
gewicht: 6- 12 g
Biotoop In de alpen komen alpenspitsmuizen tot op een hoogte van 2500 meter voor. Het meest vindt men hem echter op 700 à 1000 meter hoogte in schaduwrijke, vochtige, rotsige biotopen in de nabijheid van naaldbossen en gebieden met dwergstruiken. Een soortgelijke biotoop is ook de oeverzone van bergbeken. Daar groeit een vochtminnende, beschutting biedende vegetatie, waarin de prooidieren van de alpenspitsmuis goed gedijen.
Voedsel Insecten, spinnen, wormen, slakken en aas.
Voortplanting De voortplanting verloopt vermoedelijk grotendeels zoals bij de bosspitsmuis. De voortplantingstijd valt in april tot augustus.
Gedrag Over zijn levenswijze is weinig bekend, maar vermoedelijk wijkt deze weinig af van die van de bosspitsmuis.
Kenmerken De alpenspitsmuis bezit een aantal bijzondere kenmerken, waardoor hij met geen enkele andere spitsmuis kan worden verward. Zo is zijn staart net zo lang als zijn lichaam en zijn pels aan de bovenzijde leigrijs, aan de onderzijde nauwelijks lichter, waardoor het dier effen gekleurd aandoet. De voeten zijn witachtig. De oorschelpen steken nauwelijks boven de vacht uit.
Aantallen De alpenspitsmuis kreeg van de bioloog Schinz terecht de wetenschappelijke soortnaam alpinus, want de Alpen vormen zijn belangrijkste woongebied. Daarnaast komen ze ook voor in enkele middelgebergten (Schwarzwald, de Rhön en de Harz), op de Balkan en in de Pyreneeën. Ze zijn overal zeldzaam.


Naar het overzicht...

© 1999-2008 natuurbeleving.scene24.net