Baardvleermuis Myotis mystacinus |
|
 |
|
| Data |
spanwijdte: 19-22,5 cm
gewicht: 4-8 g |
|
| Frequenties |
30 à 75kHz - lichte piek rond 45KHz, net zoals de
meeste soorten van het geslacht Myotis klinkt de echolokatie als een droge
ratel en zijn ze niet gemakkelijk van elkaar te onderscheiden. |
|
| Biotoop
|
Als biotoop kiest de baardvleermuis bossen, parken en tuinen,
waarbij hij menselijke bewoning niet schuwt. Kolonies vind men vooral in
gebouwen, in spouwmuren of op zolders in nauwe ruimten die van buitenaf
toegankelijk zijn; een enkele keer in holle bomen. De soort overwintert
in grotten, forten, (ijs)kelders en groeven. Komt in de meeste overwinteringsplaatsen
voor, daar vrijhangend tot diep in spleten weggekropen. |
|
| Voedsel |
De baardvleermuis jaagt voornamelijk in bosachtig landschap,
boven paden, over open plaatsen of langs de rand van het bos. De insectenjacht
begint al vroeg in de avond. Gewoonlijk jaagt de baardvleermuis alleen,
maar soms ook in groepen. Hier bij geeft hij een langzame, fladderende vlucht
te zien op een hoogte van 1,5 à 6 meter. Een bepaald traject wordt meestal
laag bij de grond enige malen afgezocht, alvorens het dier weer verder vliegt.
Ze eten voornamelijk muggen. |
|
| Voortplanting |
Zoals bij de meeste vleermuissoorten vindt de paring plaats
tijdens de korte perioden dat de dieren 's winters wakker zijn. De zaadcellen
bevruchten de eicel pas wanneer het wijfje definitief uit haar winterslaap
is ontwaakt. Hierdoor wordt het jong zo vroeg mogelijk in de zomer geboren,
zodat het voldoende tijd heeft om straks volgroeid en goed gevoed de winter
in te gaan. |
|
| Gedrag |
De winterkwartieren worden laat in de herfst opgezocht. |
|
| Kenmerken |
Baardvleermuizen zijn klein en teer, met smalle, spitse vleugels
en kleine voeten. De snuit is spits en gezicht en oren zijn donkerbruin
tot zwart, met name in het eerste jaar. Jonge dieren zijn aan de onderzijde
ook donkerder dan de oudere exemplaren, die een grijze buik hebben. De kleur
van de vacht is echter zeer variabel. Het onderscheid met andere soorten
is vaak voer voor specialisten. |
|
| Aantallen |
Vroeger was het bij ons 's winters in kalksteengroeven een
vrij talrijke wintergast, maar ook deze soort gaat gestaag achteruit. |
|
|
|
|
 |
 |