Boommarter Martes martes |
|
 |
|
| Data |
lengte: 40 - 58 cm
staartlengte: 20 - 28 cm
gewicht: 0,9 - 1,8 kg
leeftijd: kan meer dan 10 jaar oud worden |
|
| Biotoop |
De schuwe boommarter komt hoofdzakelijk in afgelegen bossen
voor, waar de natuur zijn gang kan gaan en veel schuilplaatsen zijn. Hij
komt echter ook voor in rotsige, bosloze streken. Ga dus bij de determinatie
niet te gauw af op het biotoop waarin de waarneming werd gedaan: een marter
in een boom is niet per definitie een boommarter. Boommarters kiezen hun
rustplaatsen vaak in boomholten, konijnenholen, tussen boomwortels of onder
takkenbossen. |
|
| Voedsel |
De boommarter vangt zijn prooi meestal op de grond. Hij is
een voor-de-voet-jager en eet wat hij tegenkomt. Zijn eten bestaat uit insecten,
slapende en jonge vogels, eieren, kleine zoogdieren (van muis tot halfwas
konijn) en aas. In de nazomer en herfst eet de boommarter ook vaak bessen
en vruchten. Als behendige klimmer en springer kan hij zijn leefgebied vanaf
de grond tot in de boomtoppen benutten. De boommarter is het enige zoogdier
dat in staat is een eekhoorn door de boomkruinen te achtervolgen en te vangen,
al doet hij dit zelden. |
|
| Voortplanting |
Boommarters paren in de zomer, maar de bevruchte eicel nestelt
zich pas rond januari in de baarmoeder. De draagtijd duurt 8 à 9
maanden. De 2 à 7 jongen worden in maart of april geboren. Het nest
zit bij voorkeur in een holle beuk of eik, tussen boomwortels, en vaak in
oude spechtenholen. Het duurt zeker zes weken voordat de jongen hun ogen
openen en groot genoeg zijn om de buitenwereld te verkennen. Ze groeien
snel en zijn aan het eind van de zomer net zo groot als de moeder, maar
tot aan de eerste winterrui is hun vacht lichter en wolliger dan die van
de volwassen dieren. Op een leeftijd van een maand of zes worden ze zelfstandig. |
|
| Gedrag |
De Boommarter is hoofdzakelijk een nachtdier en overdag is
hij zelden te zien. Hij klimt met gemak in bomen, waarbij hij zijn nagels
in de schors slaat en zich met de achterpoten met schokkende bewegingen
omhoog werkt. Bij een val komt hij altijd op zijn poten terecht. Marters
kunnen zwemmen, maar vermijden deze natte situaties liever. |
|
| Kenmerken |
Steen- en boommarter zijn ongeveer even groot. Ook de behendigheid,
souplesse en klimvaardigheid hebben ze gemeen. De boommarter heeft een warmbruine
vacht, een volle, pluimige staart die bijna een derde van de totale lengte
in beslag neemt. Door de relatief lange achterpoten is de rug bij het lopen
licht naar voren gebogen. De kop is spits met vrij grote oren. Poten en
snuit zijn bijna altijd donkerder dan de kastanjebruine vacht. Wijfjes zijn
over het algemeen kleiner dan mannetjes; ze hebben het formaat van een huiskat,
maar zijn echter veel soepeler. De keelvlek is geler dan die van de steenmarter.
In het veld is een correctie determinatie zelden eenvoudig. Door de variatie
in de vachtkleur bij beide martersoorten wordt alles er niet makkelijker
op. |
|
| Aantallen |
Behalve de mens kent de boommarter geen vijanden. Toch is
het dier in het overal een zeldzaam dier geworden. Oorzaken hiervan zijn
vooral de meedogenloze vervolging door jachtopzieners en pelsjagers, en
de verdwijning van zijn biotoop - afgelegen bossen. |
|
|
|
|
 |
 |