Bosmuis
Apodemus sylvaticus |
|
 |
|
| Data |
lengte: 80 - 105 mm
staartlengte: 70 - 110 mm
gewicht: 20 - 30 g |
|
| Biotoop |
Ondanks zijn naam komt de bosmuis niet alleen in bossen voor,
maar is in open terrein net zo algemeen. Zo vindt men hem in de duinen,
op akkers, in wegkanten en zelfs in veengebieden en tot 1200 m hoogte in
gebergten. In boomgaarden en tuinen met schuurtjes kan hij eveneens zeer
talrijk zijn. In de herfst dringen ze soms huizen, en vooral voorraadkamers,
binnen. |
|
| Voedsel |
Zaden vormen hun belangrijkste voedsel, naast noten, scheuten,
vruchten, bessen en knoppen. Ze eten ook slakken en allerlei insecten en
larven. |
|
| Voortplanting |
Tussen maart en september kan het wijfje 3 tot 5 nesten van
3 à 9 jongen grootbrengen. De draagtijd duurt 23 dagen. |
|
| Gedrag |
De bosmuis is 's nachts zeer actief; hij rent en springt
van het ene plekje naar het andere en onderzoekt open gebiedjes waar andere
kleine zoogdieren zich niet snel zouden wagen. Ze zijn altijd op hun hoede
en besnuffelen alles wat hen vreemd voorkomt. Ze hebben een scherpe reuk
en herkennen andere muizen hoofdzakelijk aan hun geur. Ze bewonen vaste
gebieden, maar toch zijn tochten van 500 meter op één nacht
heel gewoon. Het territorium van het mannetje is zo groot als een half voetbalveld.
Ze houden geen winterslaap, maar bij voedselschaarste treedt er een soort
verstarring van het lichaam op, waardoor veel minder energie wordt gebruikt.
Bosmuizen graven hun eigen gangenstelsel, waarin ze voedsel opslaan, de
dag doorbrengen en de jongen werpen. Het zijn goede klimmers en gebruiken
soms een oud vogelnest als plekje om rustig te kunnen eten. |
|
| Kenmerken |
De bosmuis is te herkennen aan zijn geel- tot donkerbruine
pels en grote oren en ogen. De onderzijde is wit, met een gele vlek tussen
de voorpoten. De staart is licht en kort behaard. Ze bezitten lange achterpoten,
waarmee ze als kangoeroes kunnen springen. Hierbij trekken ze de voorpoten
vaak op. De bosmuis wordt soms voor een huismuis aangezien, maar is hiervan
direct te onderscheiden door het ontbreken van de muffe geur. |
|
| Aantallen |
De bosmuis is in het beschreven gebied een wijdverbreide,
talrijke soort. Aan het eind van de winter is de populatie sterk uitgedund. |
|
|
|
|
 |
 |