Bosspitsmuis
Sorex araneus |
|
 |
|
| Data |
lengte: 55 - 80 mm
staartlengte: 60 - 65 mm
gewicht: 5 - 14 g |
|
| Biotoop |
Bossen, weiden, akkers, moerassen en tuinen. |
|
| Voedsel |
De bosspitsmuis is dag en nacht actief. Piepend en mopperend
is hij constant op pad; overal steekt hij zijn lange snuit in, op zoek naar
pissebedden, regenwormen, spinnen, slakken en ander klein gedierte. Zo om
de twee uur is er een korte rustpauze, maar hij verbruikt door zijn druk
leventje zoveel energie, dat hij na drie uur zonder voedsel al van honger
sterft. De bosspitsmuis foerageert in de bodem of tussen het bladafval in
smalle gangen die hij zelf graaft of die door andere kleine knaagdieren
zijn gemaakt. Dagelijks verorbert hij bijna zijn eigen gewicht aan voedsel.
|
|
| Voortplanting |
De paring gaat door tijdens de late lente tot in de zomer.
Na een draagtijd van 19 à 21 dagen werpt het wijfje jaarlijks 3 tot
vier keer een nest van elk 4 à 9 jongen. Na een maand zijn deze onafhankelijk.
Soms heeft het wijfje een pluk witte haren in de nek, doordat het mannetje
bij de paring de haarwortels heeft beschadigd toen hij haar vasthield. |
|
| Gedrag |
De bosspitsmuis leeft driekwart van zijn leven ondergronds
en heeft dan ook slechte ogen. Hij verlaat zich vooral op zijn reuk- en
tastzin. Een bosspitsmuis duldt geen soortgenoten in zijn territorium, behalve
voor een korte periode in de paartijd. Wanneer twee bosspitsmuizen elkaar
ontmoeten, piepen ze schril en agressief tegen elkaar. Het is op enige afstand
te horen en vaak het enige teken van hun aanwezigheid. |
|
| Kenmerken |
De bosspitsmuis is kleiner dan een huismuis. Hij heeft een
lange, spitse snuit, kleine ogen en kleine, ronde oren die vrijwel in de
pels verborgen liggen. De zomervacht, die in de lente de wintervacht vervangt,
is het eerst op de kop te zien. Tijdens de verharing in de herfst verschijnt
de lange, donkere wintervacht het eerst op het achterlijf. |
|
| Aantallen |
Bosspitsmuizen zijn de talrijkste spistmuizen in ons gebied.
Ze worden ongeveer een jaar oud - slechts enkele leven langer. Vele vallen
ten prooi aan uilen. Andere rovers worden afgeschrikt door de vies smakende
klieren in de huid van spitsmuizen, waaraan ze ook hun typische, speciale
geur ontlenen. Katten doden spitsmuizen wel, maar eten hen zelden op. |
|
|
|
|
 |
 |