Damhert Cervus dama |
|
 |
|
| Data |
lengte: 130 - 150 cm
schouderhoogte: 90 - 100 cm
gewicht: 100 - 110 kg |
|
| Biotoop |
Damherten houden zich bij voorkeur op plaatsen op waar gras
is om te grazen en lichte loof- of gemengde bossen met ondergroei dat schuilgelegenheid
biedt. Ze zijn in onze streken vooral te zien in parken en door wildrasters
omgeven bosgebieden. Vaak zijn hier ook goede observatieposten ingericht
op plaatsen waar ze 's winters worden bijgevoederd. |
|
| Voedsel |
Op elk moment van de dag kan men damherten zien grazen. De
meeste kans om ze te zien maakt men echter in de ochtend- of avondschemering.
Overdag rusten en herkauwen ze in de ondergroei van het bos of op een afgelegen,
rustig grasland. Tot een hoogte van twee meter - de hoogte die een damhert
kan bereiken door op zijn achterpoten te gaan staan - zijn de bomen met
eetbare bladeren in hun woongebied vaak kaalgevreten. |
|
| Voortplanting |
De opwindendste periode is de bronstijd, die in de herfst
valt. Dan leveren de mannetjes strijd om de harems. Het mannetje veegt met
zijn kop langs jonge boompjes om zijn territorium te markeren. Ook slaat
hij met zijn gewei tegen takken en struiken. In de bronsttijd is de hals
van het mannetje verdikt en valt de adamsappel nog meer op. Het burlen klinkt
knorrender dan van het edelhert en is op grote afstand te horen. In de grond
uitgekrabde plekken worden met urine besproeid en markeren het territorium.
Vanaf haar derde levensjaar werpt de hinde tien jaar of langer achtereen
jaarlijks één kalf in juni ne een draagtijd van 7 maanden.
De eerste weken van hun leven brengen de kalfjes de dag vooral in het hoge
gras of tussen varens door. Zwarte kalfjes hebben bruine vlekken; karakteristiek
is echter kastanjebruin met witte vlekken. Effen zandkleurige kalfjes worden
later wit. Damherten vormen in elk jaargetijde een lust voor het oog, maar
de mooiste tijd om hen te bestuderen is misschien wel eind juni, wanneer
de kalfjes oud genoeg zijn om in de avondkoelte in groepjes rond te rennen
en te springen. De meeste tijd trekken ze grazend achter de hinde aan, maar
ze worden ook nog enkele malen per dag gezoogd. Veel moeders zogen hun jong
nog tot in het nieuwe jaar. |
|
| Gedrag |
De mannetjes werpen hun gewei tussen eind maart en begin
juni af. 's Zomers vormen ze tijdens de ontwikkeling van het nieuwe gewei
roedels van vrijgezellen. Wanneer het gewei volgroeid is - bij de oude herten
eind augustus - wordt de afgestorven bast aan bomen afgeveegd, totdat de
stangen schoon en hard zijn, klaar voor de strijd om de harems in de bronsttijd.
De vaak grote roedels blijven de gehele zomer bijeen. |
|
| Kenmerken |
Wat formaat betreft staat het damhert tussen ree en edelhert
in. Opvallend zijn de lange, zwarte, witgezoomde staart en de witte, zwart
omrande spiegel. Een bijzonderheid van het damhert is het grote aantal kleurvariëteiten
dat ervan bestaat. De typische zomertekening is kastanjebruin met witte
vlekken, maar sommige dieren zijn lichter bruin en er zijn ook allerlei
tussenvormen, naast effen zwarte en geheel witte exemplaren. Dikwijls komen
binnen één roedel diverse kleurvariëteiten voor. Na de
verharing, die circa 40 dagen duurt, vertonen de meeste damherten half juni
het zomerkleed. Normale dieren behouden enkele vlekken in het grijsbeige
winterkleed, dat zich in september of oktober begint te vormen. Bij herten
van dezelfde leeftijd varieert zelfs het gewei in vorm en grootte. Een geweistang
kan circa 50 cm lang worden. Het mannetje heeft een schoffelvormig gewei
en een opvallende adamsappel. De hinde is iets kleiner dan het hert en heeft
geen gewei. |
|
| Aantallen |
De damherten die bij ons voorkomen, stammen alle af van uitgezette
en ontsnapte exemplaren. Deze sierlijke hertensoort werd veel gebruikt om
parken te verlevendigen en vormde in de middeleeuwen een favoriete buit
van jagers. |
|
|
|
|
 |
 |