Edelhert Cervus elaphus |
|
 |
|
| Data |
lengte: 190 - 240 cm
schouderhoogte: 120 - 150 cm
gewicht: 100 - 210 kg |
|
| Biotoop |
Hoewel het edelhert van oorsprong een bewoner is van open
bossen, heeft hij zich ook aan bosarme biotopen aangepast. In onze streken
leeft het merendeels in halfwilde staat binnen wildrasters, beschermd tegen
stropers en niet in staat de landbouw veel schade toe te brengen. |
|
| Voortplanting |
Het grootste deel van het jaar leven de mannetjes in eigen
roedels, die in september uiteenvallen, wanneer ze harems proberen te vormen.
Het welslagen van een hert is afhankelijk van zijn grootte, zijn leeftijd
en de indruk die hij op andere herten weet te maken. Hoewel er hevige, verbitterde
duels tussen even sterke dieren kunnen ontbranden, worden de meeste geschillen
door louter krachtsvertoon beslecht. Rivalen lopen dikwijls langzaam naast
elkaar, alsof ze elkaars krachten proberen meten. Vaak zal er één
weglopen, maar als ze even sterk zijn, kan een gevecht losbarsten. Tijdens
een gevecht trachten de herten elkaar met woedende slagen van het gewei
weg te drukken. Verwondingen en afgebroken geweien komen hierbij geregeld
voor; een dodelijk slachtoffer zelden. Het succesrijkst zijn herten van
een jaar of acht. Deze kunnen harems vormen van 10 à 20 hinden. Herten
onder de vijf jaar zijn meestal niet sterk genoeg om een harem bijeen te
houden en dieren boven de elf zijn te oud. De herten verbruiken in de bronsttijd
enorm veel energie en hebben nauwelijks tijd om te eten. Na af loop zijn
ze dan ook vaak mager en uitgeput. Als de hinde paarlustig is, scheidt ze
een geur af die het hert aantrekt. Deze achtervolgt en besnuffelt haar steeds.
Voor de paring likt en besnuffelt het hert de hinde. Meestal is deze na
twee jaar geslachtsrijp. Na een draagtijd van acht en een halve maand werpt
de hinde meestal eind mei-juni haar kalfje. Ze likt tijdens het zogen het
aarsgedeelte van het jong schoon. Het kalfje of 'smaldier' ligt overdag
dikwijls te rusten en te herkauwen in de slaapbossen. Zijn gevlekte, bruine
vacht vormt een goede camouflage tussen hoog gras, heide en varens. Het
eerste gewei van het jonge hert is meestal een spiesgewei. Dit wordt zelden
voor juni en soms zelfs pas in september afgeworpen. |
|
| Voesel |
Edelherten grazen vooral in de avond- en ochtendschemering
en 's nachts. Ze eten gras, kruien, schors, eikels en beukennoten. |
|
| Gedrag |
Edelherten leven in roedels: de volwassen mannetjes of 'herten'
buiten de bronsttijd apart van de wijfjes of 'hinden', die men 'kaal wild'
noemt omdat ze nooit een gewei dragen. Binnen de wijfjesroedels vormen de
hinden met hun kalf en het kalf van het vorige jaar familiegroepen. In bergachtig
gebied, zoals in Schotland en in de Alpen, voeren de roedels trekbewegingen
uit. 's Zomers houden ze zich op grotere hoogten op de hellingen op dan
's winters. Ze verzorgen hun vacht door likken en door deze met de voortanden
van de onderkaak te kammen. Het hert gebruikt zowel het gewei als de hoeven
om zich te krabben. Mannetjes nemen graag een modderbad, omdat hierdoor
hun sterke bronstgeur over hun gehele lichaam wordt verspreid. |
|
| Kenmerken |
Het edelhert is de grootste hertachtige die men in Europa
kan ontmoeten. De hinden zijn iets kleiner dan de herten. Het zomerkleed
van het edelhert is glanzend roodbruin. Het dier heeft een korte, maar duidelijk
zichtbare staart, die meestal dicht tegen de lichte spiegel wordt gehouden.
In de bronsperiode zijn de herten op hun mooist, met een volgroeid, schoon
gewei, een verdikte hals met zware manen en in de zomer opgebouwde vetreserves
onder de huid. Een volwassen hert heeft een gewei met vele takken of einden.
De stangen kunnen tot 70 cm lang zijn. Elke zomer wordt een nieuw gewei
gevormd, dat in september volgroeid en hard is. |
|
| Aantallen |
Hoewel edelherten zeer gehard zijn en hun voedsel eventueel
onder een sneeuwlaag vandaan weten te krabben, komen er in koude periodes
toch veel om. De mens maakt dan voederplaatsen met hooi, appels, bieten
en wortelen waarmee ze door de winter worden geholpen. |
|
|
|
|
 |
 |