Hermelijn Mustela erminea |
|
 |
|
| Data |
lichaamslengte: 22-29cm
staartlengte: 5-12cm
gewicht: 150-400gr. |
|
| Biotoop |
Open plekken in bossen, akkers, duinen en vaak in de omgeving
van water. Hij komt in allerlei terreinen voor, maar vooral op plaatsen
met veel dekking. Duingebieden vormen voor hermelijnen goede jachtterreinen
vanwege de vele konijnen, die ze tot in hun pijpen achtervolgen. |
|
| Voedsel |
Dag en nacht is de lenige, stoutmoedige hermelijn actief.
Hij kan tot onze felste roofdieren worden gerekend. Onvermoeibaar achtervolgt
hij zijn prooi, waarbij hij vooral op zijn reuk afgaat. Woelratten zit hij
ook in het water nog na. Het fabeltje dat hij een bloedzuiger zou zijn,
dankt hij aan zijn gewoonte het bloed van de vacht van zijn slachtoffer
te likken. Zijn prooi bestaat hoofdzakelijk uit kleine knaagdieren, spitsmuizen,
vogels en de eieren van laatstgenoemde maar ook uit ratten en konijnen.
Prooien - die vaak tweemaal zo groot zijn als de hermelijn zelf - worden
gedood door een beet diep in de nek. Net als de wezel bewaart de hermelijn
soms gedode en half opgegeten prooidieren.
Een rennende hermelijn behaalt een snelheid van dertig kilometer per uur,
waarbij hij sprongen maakt van 50 cm. |
|
| Territorium |
Het jachtterrein beslaat een twintigtal hectare. Onder normale
omstandigheden leeft de hermelijn solitair en bewoont een oud mollennest,
konijnenhol of rotsspleet. |
|
| Voortplanting |
In de voortplantingstijd ziet men beide geslachten soms kort
tesamen. De paring vindt in februari-maart plaats of in de zomer, in het
jaar voor de eigenlijke worp! De draagtijd bedraagt circa twee maanden.
De jongen worden in april-mei geboren: jaarlijks is er één
worp van drie à negen jongen. Jagen en spelen vindt dikwijls in gezinsverband
plaats. De jonge hermelijnen zijn na circa tien weken zelfstandig. Ze kunnen
dan voor wezels worden aanzien, maar onderscheiden zich hiervan door de
typische staart. Het is vaak al winter, voordat het gezin uiteen valt. |
|
| Kenmerken |
Beide geslachten zien er hetzelfde uit, maar het mannetje
is 50% groter dan het wijfje. Nieuwsgierig als hij is, maakt de hermelijn,
net zoals de wezel, dikwijls een 'kegel' om de omgeving te onderzoeken.
De scherpe, rechtlijnige grens tussen de roomwitte onderkant en de bruine
flanken is dan goed te zien. De lange bruine staart met de zwarte pluimpunt
is kenmerkend (vergelijk met de wezel wiens staart korter is en geen zwarte
eindpunt heeft). Deze eindpunt blijft ook in het winterkleed zwart. De hermelijn
heeft bij ons 's winters een witte vacht. De verharing begint in november
en verloopt zeer snel. In andere gematigde streken is de vacht 's winters
nog gedeeltelijk bruin en in het zuiden blijft hij bruin. |
|
| Aantallen |
Ondanks zware vervolging door jagers is de hermelijn nog
steeds wijdverbreid en vrij algemeen. De hermelijn komt in grote delen van
Europa voor, behalve in het zuiden. In Nederland komt de soort verspreid
over het hele land voor, maar niet op Vlieland en Ameland. |
|
|
|
|
 |
 |