Konijn Oryctolagus cuniculus |
|
 |
|
| Data |
lengte 35 - 45 cm
oorlengte 6,5 - 7,5 cm
gewicht 1,2 - 2,5 kg |
|
| Biotoop |
Konijnen leven in holen en hebben daarom een voorkeur voor
zandige bodems waarin het makkelijk graven is. Ze prefereren halfopen landschappen
en mijden vochtige terreinen zoals moeras en veen of zware klei, omdat ze
daarin geen holen kunnen graven. In de duinen zijn konijnen belangrijke
grazers. Meestal wonen de konijnen in zelfgegraven gangenstelsels, maar
soms ook in oude vossen- of dassenburchten. Bij harde bodems zijn ze al
tevreden met een zelfgegraven 'leger' (kuiltje), maar ze zijn dan wel kwetsbaar
voor roofdieren. |
|
| Voedsel |
Konijnen zijn voornamelijk in de schemering en in 's nachts
actief. Ze eten eiwitrijke en lichtverteerbare plantendelen, zoals scheuten
en wortels van grassen en kruiden, en loten van jonge struiken en bomen.
Omdat konijnen voldoende vocht halen uit hun voedsel, hoeven ze vrijwel
niet te drinken. Overdag zitten ze meestal in hun pijpen en knabbelen op
de zachte uitwerpselen die een eerste vertering hebben doorgemaakt en rijk
zijn aan vitaminen en eiwitten. De donkere, stevige keutels van de tweede
vertering worden bovengronds gedeponeerd. |
|
| Territorium |
Konijnen zijn sociale schepsels die in kolonies in uitgestrekte
gangenstelsels met kamers ('wrangen') leven. Er heerst een duidelijke hiërarchie
in de kolonie: dominante konijnen, zowel voedsters als rammen, vormen een
territorium in het beste deel van de wrang en zijn succesrijker bij de voortplanting
dan ondergeschikten konijnen. Deze laatste bezitten geen territorium, maar
leven vreedzaam naast elkaar. Uit de territoria van overheersende konijnen
worden ze echter verjaagd. De omgeving wordt goed in de gaten gehouden:
een oud mierennest bijvoorbeeld vormt een ideale uitkijkpost. Vaak is deze
bezaaid met keutels, doordat hij tevens als latrine en markering van het
territorium is gebruikt. Bij konijnenburchten vindt men dikwijls ook ondiep
uitgekrabde kuiltjes, die eveneens dienst doen als afbakening van het territorium.
Soms schuurt een konijn met zijn kin over de grond. In de kinstreek heeft
het dier namelijk klieren die geurstoffen afgeven. |
|
| Voortplanting |
De voortplantingstijd valt globaal in de periode van januari
tot in juli. De mannetjes zie je dan geregeld tegen elkaar opspringen tijdens
hun spectaculaire gevechten. Het vrouwtje bouwt in een speciaal daartoe
gegraven zijgangetje ('de wentel') een bolvormig nest van gras. Het nest
wordt van binnen gevoerd met stukjes vacht die ze uit haar borst trekt.
Het duurt ongeveer 30 dagen voor de jongen of 'lampreien' (meestal drie
tot zeven, maximaal negen) worden geboren. Bij de geboorte zijn ze nog blind,
doof en kaal. De moer sluit de wentel af als ze deze verlaat. Als de avond
valt komt ze even langs om de jongen te zogen, maar vrijwel onmiddelijk
daarna verlaat ze de wentel weer. Na ongeveer drieënhalve week zijn
de jonge konijnen zelfstandig en sluiten ze zich aan bij de kolonie. Per
seizoen hebben konijnen meestal twee tot drie nesten. Een moertje kan in
een jaar meer dan 20 nakomelingen voortbrengen, waarvan velen zich al voortplanten
wanneer ze pas vier maanden oud zijn. Meer dan driekwart van alle konijnen
leeft echter korter dan een jaar. |
|
| Gedrag |
Ze verwijderen zich zelden meer dan 100 m van hun hol. De
directe omgeving ervan is dan ook kaalgevreten, waardoor ze eventuele rovers
snel opmerken en bovendien hun pels droog houden. Als er gevaar dreigt,
alarmeren konijnen elkaar door met een achterpoot op de grond te roffelen.
Konijnen maken hun vacht geregeld schoon, waarbij ze hun tong, tanden en
nagels gebruiken. |
|
| Kenmerken |
Konijnen hebben meestal een bruingrijze pels, die in de
nek een oranjebruine tint vertoont. Er bestaan echter veel kleurvariaties;
de zwarte kleurvariëteit bijvoorbeeld komt vaker voor dan de albino.
De korte staart is van boven zwart en aan de onderzijde wit. Konijnen zijn
kleiner dan hazen, met kortere oren zonder zwarte punt. De oorpunten hebben
wel een dun donker randje aan de buitenzijde. Het wijfje (voedster) is kleiner
dan het mannetje (ram) en heeft een smallere kop. De staart is meestal opgewipt,
zodat alleen de witte onderzijde zichtbaar is. |
|
| Aantallen |
Het verspreidingsgebied van het konijn was tot in de 12e
eeuw beperkt tot de landen rond het westelijke deel van de Middellandse
Zee: Spanje, Frankrijk, Italië, Algerije en Marokko. De Noormannen
brachten ze naar West-Europa en aan de middeleeuwse adellijke hoven werd
het mode om een omheinde konijnenberg op het landgoed te hebben. Het konijn
komt voor in vrijwel geheel West- en Midden-Europa en is daar, met uitzondering
van rotsachtige gebieden en hooggebergten, algemeen en talrijk. Grote slachtingen
werden er sinds de jaren vijftig aangericht door myxomatose, een besmettelijke
konijnenziekte die afkomstig is uit Zuid-Amerika en doorsteken de dieren,
zoals vlooien en muggen, wordt overgebracht. Inmiddels zijn konijnen min
of meer immuun geworden tegen deze verschrikkelijke ziekte, waardoor hun
aantal overal weer flink is gestegen. |
|
|
|
|
 |
 |