Laatvlieger
Eptesicus serotinus
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
Data spanwijdte: 31 - 38 cm
gewicht: 14 - 13,5 g
Frequenties 25 à 80 kHz. Het best te horen op 28 Khz.
Biotoop De laatvlieger bewoont holle bomen, kerktorens en zolders. Kolonies zijn lastig te vinden, omdat de laatvlieger nauwelijks 'invlieggedrag' vertoont. Andere vleermuizen vliegen namelijk diverse malen voor de invliegopening voordat ze naar binnen gaan.
Voedsel Zijn naam is niet helemaal terecht, want de laatvlieger gaat kort nadat de avond is gevallen al op voedseljacht en soms zelfs nog eerder. Alleen bij slecht weer vliegt hij laat of in het geheel niet uit. Het voedsel bestaat vooral uit muggen, nachtvlinders en kevers. Ze vliegen vaak hoog en zien er tegen de avondlucht nog groter uit dan ze al zijn.
Voortplanting Laatvliegers brengen hun jongen graag ter wereld op zolders van oude huizen en kerken, waarbij ze vaak hoog in de nok aan dakspanten hangen. De kraamkolonie kan 50-100 wijfjes tellen en kan tamelijk luidruchtig zijn. Bij de geboorte is het jong naakt en blind, maar na circa vier weken kan hij vliegen en na zes tot zeven weken is hij zelfstandig. Als het nog klein en naakt is, kan de moeder het bij verstoring van de kraamkamer met zich meevoeren.
Gedrag Jaar na jaar keren de kleine kolonies soms naar dezelfde plek terug, waardoor er een opeenhoping ontstaat van de kleine, zwarte uitwerpselen. Deze zijn van die van ratten en muizen te onderscheiden aan de glanzende resten van insecten die ze bevatten. Ze kunnen vies ruiken, maar vormen verder geen bron van besmetting.
Kenmerken De laatvlieger is een grote vleermuis met een krachtige vlucht. Ze hebben krachtige kaken, een donker gezicht, donkere oren en een korte, puntige tragus. De haren van de donkerbruine pels zijn grijsgepunt. De staart steekt voorbij de rand van de vlieghuid.
Aantallen Komt in het gehele beschreven gebied voor maar is nergens talrijk. In onze streken is het een vrij gewone soort.


Naar het overzicht...

© 1999-2008 natuurbeleving.scene24.net