Mol
Talpa europaea
Mol (Talpa europaea)
Data lichaamslengte: 13 - 15 cm
staartlengte: 2,5 - 4 cm
gewicht: 30-60 g
Biotoop Men vindt de mol vrijwel overal, behalve in zure bodems en op meer dan 2000 meter hoogte. De aanwezigheid van de mol blijkt uit de talrijke molshopen die hij bij het graven van zijn gangen maakt. In bosgebieden, waar hij vrij talrijk is, liggen de molshopen dikwijls onder afgevallen bladeren verborgen. Soms liggen de gangen zo ondiep, dat ze als 'ritten' te zien zijn door de omhoog gewerkte grond.
Voedsel De mol inspecteert zijn gangen regelmatig op erin verzeild geraakte wormen, keverlarven en slakken. In arme grond, waar voedsel schaars is, is het gangenstelsel dan ook het uitgebreidst. Regenwormen vormen de belangrijkste voedselbron van de mol. Bij het eten haalt hij de worm tussen de nagels van zijn voorpoten door, waardoor aanhangende aarde wordt verwijderd en tegelijkertijd de met grond gevulde darm van de worm wordt leegeperst. Een mol heeft een grote voedselbehoefte door zijn actief leven en zijn koud milieu; dagelijks verorbert hij minstens de helft van zijn lichaamsgewicht aan voedsel.
Territorium Elke mol heeft zijn eigen gangenstelsel, met stevige wanden, ongeveer 5 cm breed en 4 cm hoog en met een lengte van soms meer dan 200 meter. De mol is zeer agressief en verjaagt elke indringer uit zijn gangen, behalve tijdens de paartijd in februari of maart.
Voortplanting Van bladeren en gras bouwt het wijfje in het voorjaar een nest voor de geboorte van haar jongen. De draagtijd bedraagt 4 à 6 weken. Het kraamnest, dat diep in de grond verstopt ligt, heeft de grootte van voetbal en telt meestal verscheidene uitgangen. Ze werpt de 3 à 6 jongen in april-mei. Na een maand zijn deze zelfstandig.
Gedrag De mol is het hele jaar actief. Het grootste deel van zijn leven brengt hij in zijn ondergronds gangenstelsel door, zodat men hem maar zelden te zien krijgt. Hij komt aan de oppervlakte voor het verzamelen van nestmateriaal, zoals bladeren en droog gras, en voor het verzamelen van voedsel als de grond erg droog is. Ook jonge mollen, op zoek naar een eigen territorium, verplaatsen zich veel bovengronds. De mol kan achterwaarts door zijn gangen lopen: tastharen op de staart helpen hem daarbij. Hij draait zich evenwel soms ook met een koprol om. Bij het graven duwt de mol met één graafhand de grond tot een molshoop omhoog, terwijl hij zich met de andere en zijn achterpoten schrap zet tegen de wanden van de gang. Per minuut kan hij tweemaal zijn eigen gewicht aan grond verplaatsen.
Kenmerken Met zijn gespierde, torpedovormige lichaam, zijn fluwelige zwarte pels en zijn sterke graafhanden heeft de mol de ideale bouw voor een dier met een gravende leefwijze. Hij heeft een lange, slurfachtige neus en een kort, verticaal staartje. Een mol is niet blind, maar zijn ogen zijn niet groter dan speldenknoppen. Hij vindt zijn weg hoofdzakelijk met behulp van de gevoelige snorharen en tastzenuwen op zijn neus. De vachtharen hebben geen groeirichting, waardoor ze altijd glad liggen en geen tegenwerking bieden. Kleurvariaties komen bij de mol meer voor dan bij andere dieren. Mogelijk houdt dit verband met zijn ondergrondse levenswijze. Albinistische dieren maken een redelijk kans ongezien te overleven en zich voort te planten.
Aantallen Talrijke bewoner van bossen, tuinen en parken. Een van zijn grootste vijanden is de 'biljart-gazon' liefhebber, die hem met klemmen, gif en vuur te lijf gaat.


Naar het overzicht...

© 1999-2008 natuurbeleving.scene24.net