Ree
Capreolus capreolus |
|
 |
|
| Data |
lengte: 110 - 130 cm
schouderhoogte: 70 - 75 cm
gewicht: 18 - 25 kg |
|
| Biotoop |
De ree heeft een voorkeur voor gebieden waar bossen en graslanden
elkaar afwisselen, maar komt in vrijwel elk, niet te droog terrein met voldoende
dekking voor. |
|
| Voedsel |
Ze voeden zich hoofdzakelijk met de jonge scheuten van bomen
en struiken. Alle herten snoepen graag van bramen, maar reeën zijn
er werkelijk verzot op. |
|
| Voortplanting |
De bronsttijd valt in juli en augustus. Een bok vormt zijn
territorium eind mei, wanneer zijn gewei hard en volgroeid is. Hij wrijft
langs bomen en struiken om ze van zijn geur te voorzien (en verrricht daardoor
nogal wat schade aan jonge aanplant), blaft naar andere bokken en verjaagt
ze. Geiten die zijn gebied bezoeken, worden gedekt. Voor de paring snuffelt
de bok aan de geit en jaagt hij vaak in cirkels achter haar aan. De reegeiten
van het vorige jaar zijn eerder klaar voor de paring dan oudere geiten.
De ree is het enige hoefdier met een kiemrust: de draagtijd duurt 9 en een
halve maand. Om haar pasgeboren 1 à 3 kalfjes te zogen, gaat de reegeit
soms liggen. De eerste dagen verstoppen de jongen zich tussen de begroeiing,
waar ze af en toe door hun moeder worden bezocht. De kalfjes zijn wit gevlekt.
Na twee maanden zijn de vlekken echter verdwenen. |
|
| Gedrag |
Reeën zijn vooral in de schemering en 's nachts actief.
Overdag houden ze zich schuil in de ondergroei. Men ziet ze gewoonlijk alleen
of in klein familieverband. 's Winters, wanneer het voedsel schaars is,
sluiten ze zich tot grotere groepen of 'sprongen' aaneen. Bij verstoring
gaat een ree er met sierlijke sprongen vandoor, waarbij hij met gemak een
hek neemt (soms wel 15 meter ver). Een verontruste ree stampt dikwijls met
een voorpoot. Bij gevaar waaieren de haren van de spiegel uit, waardoor
deze op een poederdons lijkt. Reeën zijn gewoontedieren: ze gebruiken
steeds dezelfde routes door het bos, de zogenaamde 'wissels'. |
|
| Kenmerken |
Het zomerkleed is glanzend vosrood met een geelbruine vlek
op de achterhand. Opvallend zijn de witte kin en de zwarte neus. De oren
zijn groot en aan de binnenzijde dichtbehaard. Het gewei wordt in november
of december afgeworpen. Door de bast tegen vorst beschermd, vormt zich 's
winters een nieuw exemplaar. De stangen van het gewei zijn aan het ondergedeelte
soms sterk gepareld (met kleine beenknobbels bedekt). De staart is slechts
enkele centimeters lang. De spiegel of schort is 's winters opvallend wit.
De geit heeft nog een lange haarpluim aan de spiegel. De grijsbruine wintervacht
die in september/oktober werd gevormd, verhaart in de lente. Tijdens de
haarwisseling ziet het dier er vaak sjofel uit. |
|
| Aantallen |
Nadat de reeënstand tijdens de Tweede Wereldoorlog in
onze streken drastisch was ingekrompen, heeft deze zich inmiddels weer hersteld.
Dit kleinste Europese hert is nu ons talrijkste hoefdier en dat geldt voor
de meeste landen in Europa. |
|
|
|
|
 |
 |