Rosse Woelmuis
Clethrionomys glareolus |
|
 |
|
| Data |
lengte: 90 - 110 mm
staartlengte: 45 - 65 mm
gewicht: 20 - 40 g |
|
| Biotoop |
Bij voorkeur leeft de rosse woelmuis in een dichtbegroeide
bodemlaag in loofbossen, grienden, heggen, struikgewas en tuinen. |
|
| Voedsel |
Het menu van de rosse woelmuis bestaat hoofdzakelijk uit
zaden, vruchten, bessen, noten, groene planten en paddestoelen. Ze nemen
het voedsel vaak mee in hun hol om het daar op te slaan of veilig op te
eten. Waar de ondergroei voldoende dicht is, foerageren ze dag en nacht
via een netwerk van gangen door de planten of in de grond. |
|
| Voortplanting |
In jaren met mild weer en een overvloed aan voedsel beginnen
rosse woelmuizen al in februari met de voortplanting en gaan hiermee tot
laat in de herfst door. Het wijfje werpt tussen april en september 4 à
5 nesten van elk zo'n 3 tot 7 jongen. Elke draagtijd duurt 19 tot 20 dagen.
Soms ligt het nest in een boomspleet, maar meestal tot 10 cm diep onder
de grond in een kamer die via een gang bereikbaar is. Na ruim twee weken
verlaten de jongen het nest. |
|
| Gedrag |
De rosse woelmuis bewoont vaak dezelfde biotopen als de bosmuis,
maar is hiervan direct te onderscheiden aan zijn manier van voortbewegen:
de bosmuis verplaatst zich vooral springend, de rosse woelmuis rent dicht
langs de grond. Bovendien houdt de bosmuis zich overdag meestal schuil,
terwijl de rosse woelmuis juist dan actief is. Wijfjes wagen zich zelden
verder dan een meter of vijftig van hun hol, mannetjes komen wat verder.
De sterkste dieren worden hooguit een maand of 18. |
|
| Kenmerken |
De rosse woelmuis onderscheidt zich van de bosmuis door zijn
gezet postuur, stompe snuit, kleine ogen en oren, en korte, behaarde staart.
Het volwassen dier is op de rug glanzend roodbruin en aan de buikzijde grijs;
de voeten zijn wit. Hij heeft een rodere vacht en grotere oren dan de veldmuis.
Alleen jonge dieren vertonen dezelfde grijsbruine tint. |
|
| Aantallen |
De rosse woelmuis is een van de algemeenste woelmuizen in
onze streken. Aangezien de jongen na een maand zelfstandig zijn en al snel
daarna rijp voor de voortplanting, kan de populatie explosief toenemen.
|
|
|
|
|
 |
 |