| Tuinspitsmuis Crocidura suaveolens |
|
| Data | lengte: 55 - 80 mm staartlengte: 30 - 45 mm gewicht: 5 - 9 g |
| Biotoop | Men vindt de tuinspitsmuis hoofdzakelijk in de buurt van menselijke bewoning en ook in gebouwen, waarin hij de winter tracht door te komen. Ze houden van akkers en droge terreinen. |
| Voedsel | Met zijn kleine, knopvormige oogjes ziet de tuinspitsmuis weinig, maar gehoor, reuk en gevoel zijn des te beter ontwikkeld. Tuinspitsmuizen gaan vooral 's nachts op voedseljacht. Ze likken in gaatjes, spleten en bladerhopen, en bewegen de slurfvormige snuit constant heen en weer. Alles wordt met de snorharen en de neuspunt onderzocht. Het voedsel komt overeen met dat van de huisspitsmuis. |
| Voortplanting | Paartijd van maart tot september; draagtijd 31 dagen; jaarlijks 2 à 4 worpen van 3 à 9 jongen. |
| Gedrag | Over de tuinspitsmuis is nog niet zo veel bekend. Wat gedrag en biologische gegevens betreft, komt hij sterk overeen met zijn naaste verwanten. Bij ruzies wordt er flink gekrijst en gepiept, en soms zo hoog dat het voor het menselijke gehoor niet meer waarneembaar is. De akoestische strijd schijnt de lichamelijke te vervangen, want echte vechtpartijen met bijten komen zelden voor. Verwondingen door het werkelijk verschrikkelijke spitsmuisgebit zouden dodelijk zijn en aldus het voortbestaan van de eigen soort bedreigen. |
| Kenmerken | De tuinspitsmuis is de kleinste van de drie spitsmuizensoorten. De tuinspitsmuis lijkt sterk op de huisspitsmuis, maar is kleiner. Zoals alle Crocidura-soorten heeft hij lange haren op de staart. De bovenzijde is rossig of bruinachtig van kleur en gaat zonder scherpe begrenzing over in de grijsgele buikzijde. Hij bezit geheel witte tanden. |
| Aantallen | De tuinspitsmuis heeft zijn hoofdverspreidingsgebied in Zuid-Europa. In West Europa ontbreekt hij, in Midden-Europa komt hij vrijwel alleen in Zuid-Duitsland, Tsjechoslowakije en Oostenrijk voor. |
|
|
|
|
|
|