Veldmuis Microtus arvalis |
|
 |
|
| Data |
lengte: 85 - 120 mm
staartlengte: 25 - 50 mm
gewicht: 15 - 50 g |
|
| Biotoop |
Deze kleine woelmuis is de meest karakteristieke muizensoort
van akkers, weiden en kort grasland. Je vindt er zijn smalle looppaden,
kleine holletjes, graafhoopjes en soms ook bovengrondse nesten van gras.
Hoge begroeiing, vochtige grond en bossen worden vermeden. |
|
| Voedsel |
In hun natuurlijk milieu eten ze vooral de groene delen van
het gras, maar ook wortels en zaden. Akkers met graan, klaver en koolzaad
zijn eveneens zeer in trek, omdat ze nog hoogwaardiger voedsel te bieden
hebben en zo tot hun vermeerdering bijdragen. Veldmuizen leven ook in boomgaarden,
waar ze 's winters soms aan de schors van jonge bomen knagen. |
|
| Voortplanting |
De voortplanting van de veldmuis beperkt zich gewoonlijk
tot het zomerhalfjaar, de tijd van ruim voedselaanbod en hoge temperaturen.
Bijzonder aan de veldmuis zijn de vroege geslachtsrijpheid en het grote
aantal jongen per worp (6 à 13). Hierbij komen vaak nog een snelle
opeenvolging van de worpen en een lange werptijd. Onder een dikke sneeuwlaag
zitten veldmuizen soms zo goed beschut, dat ze tijdens winter jongen voortbrengen.
Wijfjes werpen al op de leeftijd van zes weken voor het eerst, wat betekent
dat ze na 20 dagen al geslachtsrijp zijn. Men heeft geslachtsrijpheid zelfs
al bij 11-13 dagen oude veldmuizen vastgesteld, dieren die dus enkele dagen
daarvoor nog blinde, hulpeloze wezentjes waren! |
|
| Gedrag |
Veldmuizen zitten gewoonlijk alleen in hun hol en hebben
ook territoria die tegen soortgenoten worden verdedigd. Wanneer het nodig
is, zijn ze echter in staat elk op een klein plekje in kolonieverband te
leven. In kort gras zijn de looppaden van de veldmuis meestal duidelijk
te herkennen. Vaak vindt men daar ook de kleine, donkergroene keuteltjes.
Veldmuizen leggen hun looppaden ook in de sneeuw aan. Is de sneeuwlaag echter
te dik, dan bevinden de paden zich altijd onder de sneeuw. Pas aangelegde
gangen van de veldmuis herkent men aan de hoopjes verse, losse aarde voor
de ingangen. |
|
| Kenmerken |
De veldmuis heeft een zachte, kortharige, roodachtige bruine
pels. De oren zijn goed te zien. De buikzijde is lichter dan de bovenkant
en vertoont vaak een gelige tint. |
|
| Aantallen |
Met uitzondering van enkele delen van Denemarken komt de
veldmuis in geheel West- en Midden-Europa van zeeniveau tot 2000 in hoogte
voor. Gunstige omstandigheden tijdens de zomer en de herfst leiden tot een
bevolkingsexplosie, maar de natuur heeft voor tegenmaatregelen gezorgd:
een hoge sterfte onder de jongen en een massa roofvijanden, waarvan het
bestaan dikwijls afhangt van de aanwezige veldmuizenpopulatie, zoals roofvogels,
uilen, hermelijn en wezel. De wezel is voor de veldmuis een zeer gevaarlijk
roofdier, omdat deze hem tot in zijn hol kan volgen. Een massale vermeerdering
van de veldmuis - vaak om de drie jaar - kunnen deze rovers echter niet
verhinderen. Tegen de herfst bereikt het aantal muizen zijn hoogtepunt.
Door stress, voedselschaarste, regen, sneeuw en vorst volgt op de massale
vermeerdering 's winters meestal een decimering van de populatie. |
|
|
|
|
 |
 |