Wezel Mustela nivalis |
|
 |
|
| Data |
lichaamslengte: 13-23cm
staartlengte: 3-6cm
gewicht: 40-150g |
|
| Biotoop |
De wezel komt voor in open, droge biotopen en cultuurland,
zolang er maar voldoende muizen en schuilplaatsen aanwezig zijn. Ze houden
van dichte bosschages en houtstapels om zich in te verbergen. Ze bewonen
vaak verlaten holen van muizen, ratten of konijnen. |
|
| Voedsel |
De wezel - die zowel overdag als 's nachts actief is - jaagt
vooral met zijn geurvermogen, maar onderzoekt ook allerlei hoekjes en gaten.
Zijn voedsel bestaat voor het grootste deel uit (woel)muizen. Daarnaast
eten ze ook ratten, mollen, slakken, kikkers en konijnen. Toevallig opgestoten
vogels zal hij zeker ook proberen pakken. Dagelijks eet dit roofdier circa
30 g, ofwel ongeveer 25% van het eigen gewicht. De prooi, die hij meestal
op de grond vangt, wordt met een beet in de nek gedood. De wezel is een
goede klimmer en zal het niet nalaten af en toe 'in te breken' in nestkasten.
Met zijn slanke lichaam kan hij door een gaatje van slechts 28 mm doorsnede!
Soms bewaart de wezel zijn voedsel, bijvoorbeeld een dode muis of vogeltje,
ergens in een holte, om het later weer op te halen. |
|
| Territorium |
Een wezel heeft een territorium van 1 à 25 ha. Dat
van het wijfje is veel kleiner. Ook hangt de territoriumgrootte af van het
beschikbare voedsel: waren genoeg prooidieren zijn, behoeft de wezel geen
grote afstanden af te leggen. |
|
| Voortplanting |
Leeft solitair, behalve in de voortplantingstijd. De paring
kan het gehele jaar door plaatsvinden, maar valt meestal in de periode februari-april.
De draagtijd van de moeder bedraagt ongeveer 6 weken. De jonge wezels worden
meestal in april of mei geboren, en soms volgt er in juli of augustus nog
een tweede worp. De jongen worden in een nest van bladeren of gras in een
hol of spleet geboren. Een worp bestaat meestal uit vijf à zes jongen.
Na circa drie weken openen ze hun ogen. De jongen blijven tot een leeftijd
van twaalf weken bij de moeder; ze zijn dan volgroeid. Anders dan andere
Europese roofdieren kan de wezel al in zijn eerste zomer jongen voortbrengen.
|
|
| Kenmerken |
De wezel is het kleinste Europese roofdier. De vrouwtjes
zijn zelfs nog een stuk kleiner dan de mannetjes. Ze zijn zó klein,
dat ze muizen tot in hun gangenstelsels kunnen achtervolgen. De wezel doet
enigszins denken aan een lange, slanke, zeer snelle muis. Hij verplaatst
zich dikwijls in golvende sprongen van 30 cm. De meeste kans om een wezel
te zien is als hij weg oversteekt, met gestrekt lijf en snel bewegende pootjes.
De lijn tussen de bruine boven- en de witte onderdelen is bij de wezel onregelmatig
(in tegenstelling tot de hermelijn). Wanneer hij zich strekt om de omgeving
af te speuren (het zogenaamde 'kegelen'), wordt de onregelmatige flanklijn
goed zichtbaar. Hij bezit bij de mondhoeken dikwijls een bruine keelvlek.
De staart is volkomen bruin en korter dan die van de hermelijn. De staart
is ook nooit zwart op het einde. Bij ons krijgt de wezel geen witte wintervacht.
|
|
| Aantallen |
De wezel komt voor in heel Europa, behalve in Ierland. In
Nederland komt hij nog overal voor, maar minder dan vroeger. Op de Waddeneilanden
ontbreekt de soort. wezels hebben sterk te leiden onder het toenemende verkeer
en het verdwijnen van hun biotoop. Door het grote aantal vijanden (mensen,
katten, uilen, vossen en andere roofdieren) worden wezels gemiddeld niet
ouder dan een jaar. |
|
|
|
|
 |
 |