Wild Zwijn Sus scrofa |
|
 |
|
| Data |
lengte: 120 - 160 cm
schouderhoogte: 80 - 95 cm
gewicht: 70 - 200 kg |
|
| Biotoop |
Het biotoop van het wilde zwijn bestaat uit voedselrijke
loofbos of gemengde bossen. Het heeft een duidelijke voorkeur voor eiken-
en beukenbestanden die in de herfst voor de begeerde 'mast' zorgen: de vaak
rijke oogst aan eikels en beukennoten. Een voorwaarde die wilde zwijnen
aan een bos stellen is de aanwezigheid van moerassige plaatsen, waar ze
in zogenaamde 'zoelen' (ondiepe poelen) modderbaden kunnen nemen. |
|
| Voedsel |
Eikels en beukennootjes vindt het wilde zwijn op de grond,
maar zijn voedsel zit vooral in de bodem: wortels, knollen, truffels, insectenlarven,
muizen en salamanders. Zijn lange, sterke snuit en driekantige hoektanden
zijn uitstekend geschikt voor het omwoelen van de bosbodem. Akkers laat
het wilde zwijn ook niet ongemoeid, waarmee het de mens tot zijn grootste
vijand heeft gemaakt. |
|
| Terminologie |
Net als bij het edelhert heeft de mens ten aanzien van het
wilde zwijn een aantal 'vaktermen' ontwikkeld. Zo heet de bronsttijd 'beentijd',
de jongen van het eerste jaar 'frislingen', oudere jongen 'overlopers',
het geslachtsrijpe mannetje 'ever' of 'keiler' en het volwassen wijfje 'zeug'
of 'bagge'. Een roedel wilde zwijnen noemt men een 'rotte' of 'rot', de
dieren zelf 'zwartwild' of 'borstelwild', de slagtanden van de keiler 'houwers'
of 'geweren'. |
|
| Voortplanting |
De beentijd valt hartje winter. Onder de evers ontstaan dan
verwoede gevechten om de baggen. Hierbij proberen ze met de hoektanden elkaars
flanken open te rijten, die echter door bijzonder dikke huid worden beschermd.
Van de evers paart de overwinnaar met de baggen. Tijdens de paring omcirkelt
hij de bagge, port haar onzacht met de snuit en maakt karakteristieke geluiden
om haar in de juiste stemming te brengen. Vier maanden later (114 - 140
dagen) werpen de baggen in april-mei hun 3 à 12 frislingen. Deze
zijn direct na de geboorte al zeer beweeglijk, maar mogen het door de moeder
gemaakte leger in dicht struikgewas de eerste week niet verlaten. Na drie
weken kunnen ze zelf de grond omwoelen, maar ze worden nog ca. twee maanden
gezoogd. De zeug staat alleen andere baggen met frislingen toe in de buurt
van haar biggen te komen. Dit is niet overbodig, want keilers schijnen tot
kannibalisme te neigen. Een vijand (ook een mens) die toch in de buurt van
haar kroost komt, wordt eenvoudig omvergelopen. Bij het drinken ontstaat
een zuigorde, waarbij elke frisling zijn eigen tepel heeft. De aardige strepentekening
van de frislingen dient ter camouflage en wordt een maand of zes door hen
gedragen. Daarna krijgen ze het karakteristieke volwassen kleed. |
|
| Gedrag |
Geslachtsrijpe mannetjes schuren graag met hun vacht langs
boomstammen, vooral wanneer ze zich juist in een poel hebben gewenteld.
Hierdoor markeren ze hun territorium. Door een bad in een modderpoel te
nemen, tracht een wild zwijn van ongedierte, zoals varkensluis, af te komen
en zijn pels te verzorgen. |
|
| Kenmerken |
Het is nauwelijks voor te stellen dat het wilde zwijn de
stamvader is van het kale, zware, zich maar moeizaam voortbewegende varken.
De dichte, borstelig behaarde, zwartbruine vacht kenmerkt dit dier dat niet
voor niets door jagers 'zwartwild' wordt genoemd. Wilde zwijnen hebben een
lange, sterke snuit met een beweeglijke wroetschijf van kraakbeen om naar
voedsel te zoeken. Volgroeide keilers bezitten grote hoektanden of houwers
in boven- en onderkaak. Bij de zeug of bagge zijn deze veel minder sterk
ontwikkeld. |
|
| Aantallen |
Door zijn scherp gehoor en reukvermogen, gezond wantrouwen, groot
aanpassingsvermogen en moed weet deze evenhoevige zich echter uitstekend
te handhaven. |
|
|
|
|
 |
 |